Lezing ‘Koorts en honger, geneeskunde in vroeger tijd op het platteland’
19 oktober 2026
19:30 - 21:30
- Venrays Museum
- Mgr. Goumansplein 1
- 5801 CZ
- Venray
Op maandag 19 oktober 2026 organiseert Kring Venray van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) een lezing getiteld ‘Koorts en honger, geneeskunde in vroeger tijd op het platteland’. Spreker is Hans van den Broek. De lezing wordt gehouden in het Venrays Museum, Mgr. Goumansplein 1, 5801 CZ Venray, en begint om 19.30 uur.
De lezing
De Deurnese arts Hans van den Broek probeert al meer dan 25 jaar de ziektes en kwalen waar onze voorouders last van hadden, te reconstrueren aan de hand van oude teksten, hedendaagse kennis en huidige problemen in ontwikkelingslanden. Op deze manier ontstond een beeld van de geneeskunde zoals onze voorouders die hebben meegemaakt. Zijn belangrijkste bevinding: het merendeel van de ziektes en sterfte in vroeger tijden was te wijten aan infecties en slechte of onvoldoende voeding.
In vroeger tijden komen we een hele reeks aan infectieziektes tegen die we nu in Nederland bijna niet meer kennen. Vaak hebben die ziektes diverse benamingen, bijvoorbeeld: lepra = melaatsheid = lazarusziekte; pest = de gave Gods = de haastige ziekte; bacillaire dysenterie = rode loop. Opvallend genoeg duiken een aantal oude benamingen nog altijd op in hedendaags, grof taalgebruik. Denk bijvoorbeeld aan uitdrukkingen als ‘krijg de klere’ (kolere = cholera), iets ‘teringzooi’ noemen of iemand ‘krijg de pleuris’ (tbc) toevoegen.
Voedsel was vaak bedorven of eenzijdig (rogge en boekweit) en bevatte weinig vitamines, mineralen en eiwitten. Gevolg: ziektebeelden zoals krop oftewel struma (jodiumgebrek), scheurbuik (vitamine C-tekort) en Engelse ziekte (vitamine D-tekort).
Voor de behandeling van ziektes waren talloze, op het eerste gezicht onontwarbare behandelmethodes gangbaar. De spreker heeft deze uiteengerafeld tot een zevental hoofdgroepen die hij voor het gemak de ‘S-jes’ noemt: de sappenleer, signatuurleer, sympathie, slechteriken, sinten en santjes (kerkelijke devotie en smeekbedes aan heiligen), magisch gebruik van cijfers en sterrenkijkerij.
Eeuwenlang was de sappenleer een van de belangrijkste uitgangspunten in de westerse geneeskunde. Deze vertaalde zich in de praktijk in velerlei ingrepen om een verstoorde verhouding tussen de vier lichaamssappen te herstellen. We noemen: het aderlaten (het te pas en te onpas bloed aftappen) of – als variant hiervan – het opbrengen van bloedzuigers, het toedienen van braak- en laxeermiddelen, en het toepassen van zweetmiddelen, blaartrekkende pleisters (door mosterd) of niespoeders (‘gezondheid!’).
Een tweede veelgebruikte theorie was de signatuur- ofwel kenmerkenleer. Waar de sappenleer ziekten en geneesmiddelen benaderde als tegenstelling, ging de signatuurleer uit van de overeenkomsten tussen ziekte en geneesmiddel: ‘similia similibus curentur’ (gelijksoortige zaken worden met soortgelijke middelen genezen). Zo moest je bij de ontstekingsziekte reuma een rode deken omdoen en bij geelzucht nam je het gele sap van stinkende gouwe, opgelost in wat brandewijn. Ook van de overige behandelmethodes zal de spreker voorbeelden geven.
Ten slotte zal Hans van den Broek de praktijken van de chirurgijn en ‘medicine doctor’ toelichten. De chirurgijn, die in de grote steden lid was van een gilde, was meestal in een meester-gezelsituatie opgeleid. Na een plaatselijk examen mocht hij zelfstandig gaan werken. Zijn werk bestond uit het zetten van botbreuken of het uitvoeren van aderlatingen. Hij maakte wollen riemen met kwikzalfjes erin om luizen te lijf te gaan en leverde middelen tegen wormen of poedertjes tegen buikpijn. Af en toe, en dan onder toezicht en na toestemming van twee burgemeesters of schepenen en een medicine doctor, mocht hij een operatie uitvoeren, zoals het afzetten van een been. Verder voerde hij lijkschouwingen uit. Gemiddeld was er één chirurgijn op ca. 1.000 inwoners. Inwendige klachten en pijnen behandelde hij meestal op basis van de sappenleer: talloos zijn de rekeningen waaruit blijkt dat hij zich bezighield met aderlaten, purgeren, klisteren, laten braken of zweten. Daarnaast behandelde hij huidafwijkingen als gevolg van schurft of hoofdschimmel met pleisterverbanden waarin hij zalfjes en smeersels van velerlei aard verwerkte.
De ‘baas’ van de chirurgijn was de medicine doctor. Deze had gestudeerd aan de universiteit. Doorgaans was er slechts één medicine doctor op pakweg 10.000 inwoners. Deze medicus gaf alleen advies, overnachtte zo nodig bij een zieke patiënt en gaf opdrachten (zoals aderlaten of het samenstellen van een klysma of zweetmiddel) die de chirurgijn dan moest uitvoeren. Meestal maakten alleen de hogere standen van zijn diensten gebruik. Ook beoordeelde hij de gezondheid door pis te bekijken, te proeven of eraan te ruiken.
Meer weten? Kom naar de lezing!
De spreker
Hans van den Broek (1949, ’s-Hertogenbosch) was van 1980 tot 2015 als radioloog werkzaam in het Elkerliekziekenhuis te Helmond. Rond 1990 is hij gaan onderzoeken aan welke ziektes onze voorouders in deze streek leden en hoe ze daarmee omgingen. Zijn bevindingen heeft hij in 2010 vastgelegd in een inmiddels uitverkocht boek, getiteld ‘Koorts en Honger’. In zijn volgende boek, ‘Wonderen in het zonlicht’ (2013), geeft hij een beschrijving en medische verklaring van 3.000 wonderen tussen 1330 en 1780. Thans is hij hoofdredacteur van ‘D’n Uytbeyndel’, het verenigingsblad van de Deurnese Heemkundekring H.N. Ouwerling. Daarnaast schrijft hij over uiteenlopende heemkundige zaken en geeft hij lezingen bij heemkunde- en genealogieverenigingen.
Toegang
De toegang is gratis voor leden van het LGOG. Zoals gebruikelijk is de lezing ook toegankelijk voor belangstellende niet-leden. Zij betalen een bijdrage van vijf euro.